Mobiliteit van studenten voor studiedoeleinden

ERASMUS/Study

De doelstellingen van mobiliteit voor studenten in het kader van Erasmus zijn:

  • studenten in staat stellen op onderwijskundig, taalkundig en cultureel vlak leerervaringen in andere Europese landen op te doen
  • samenwerking tussen instellingen bevorderen en de onderwijsomgeving van gastinstellingen verrijken
  • bijdragen tot de ontwikkeling van een pool van goed opgeleide en breed georiënteerde jongeren met internationale ervaring voor functies in de toekomst
  • de overdracht van studiepunten en erkenning van in het buitenland doorgebrachte studieperioden vergemakkelijken met behulp van ECTS of een daarmee compatibel puntenoverdrachtsysteem

Voorwaarden

  • Je studeert aan een hogeschool of universiteit; 
  • Je eigen hogeschool of universiteit moet deelnemen aan Erasmus (+ EUC); 
  • De gastinstelling in het buitenland moet deelnemen aan Erasmus (+ EUC); 
  • Je hogeschool of universiteit bepaalt welke studenten voor een beurs in aanmerking komen; 
  • Je onderwijsinstelling dient de in het buitenland doorgebrachte studieperiode volledig te erkennen; 
  • Je moet ingeschreven blijven aan je eigen instelling; 
  • Je moet een leerovereenkomst van je studieperiode aangeboden krijgen. Zo’n leerovereenkomst dient zowel door je eigen onderwijsinstelling als door de gastinstelling bekrachtigd te worden; 
  • De studie in het buitenland dient full time te zijn; 
  • De studie is minimaal 3 maanden en maximaal 12 maanden.

Landen

Aan Erasmus doen alle 27 lidstaten van de Europese Unie mee, plus IJsland, Liechtenstein, Noorwegen en Turkije. De bestemmingen hangen echter af van de afspraken die jouw universiteit of hogeschool heeft gemaakt met andere instellingen in het buitenland.
Voor verdere inlichtingen neem contact op met je ERASMUS coördinator.

Mobiliteit - Stages voor studenten in ondernemingen, opleidingscentra, onderzoekscentra en andere organisaties

Erasmus / stage

Erasmus is een onderdeel van het onderwijsprogramma Leven Lang Leren van de Europese Commissie (EC) om samenwerking te bevorderen tussen deelnemende landen op alle onderwijsniveaus. Het Leven Lang Leren programma bestaat uit verschillende onderdelen, die zich richten op het niveau van het onderwijs (basisonderwijs, voortgezet en hoger onderwijs) of een thema (taalonderwijs, ICT of volwasseneducatie).

Het Leven Lang leren Programma stelt Erasmus beurzen beschikbaar voor stages voor studenten van hogescholen en universiteiten bij ondernemingen, opleidingscentra, onderzoekscentra en organisaties in een ander deelnemend land. Deelnemende universiteiten en hogescholen maken onderling afspraken over het aantal studenten dat op stage kan naar het buitenland.

Voorwaarden

  • Je studeert aan een hogeschool of universiteit; 
  • Je eigen hogeschool of universiteit moet deelnemen aan Erasmus (+ EUC); 
  • Je stage moet onderdeel uitmaken van je opleiding en meetellen voor je studie in Vlaanderen; 
  • Je hogeschool of universiteit bepaalt welke studenten voor een beurs in aanmerking komen; 
  • Je onderwijsinstelling dient de in het buitenland doorgebrachte stageperiode volledig te erkennen; 
  • Je moet een leerovereenkomst van je stageperiode aangeboden krijgen. Zo’n leerovereenkomst dient zowel door je eigen onderwijsinstelling als door het stagebedrijf / organisatie waar je stage gaat lopen bekrachtigd te worden; 
  • De stage in het buitenland dient full time te zijn; 
  • De stage is minimaal 3 maanden en maximaal 12 maanden.

Landen

Aan Erasmus doen alle 27 lidstaten van de Europese Unie mee, plus IJsland, Liechtenstein, Noorwegen en Turkije. De bestemmingen hangen echter af van de afspraken die jouw universiteit of hogeschool heeft gemaakt met andere instellingen in het buitenland.

Voor verdere inlichtingen neem contact op met je ERASMUS coördinator

Mobiliteit Staf– Scholing voor onderwijzend en ander personeel van instellingen voor hoger onderwijs en personeel van ondernemingen

Deze actie is gericht op scholing van personeel. Binnen die algemene doelstelling zijn drie vormen van mobiliteit te onderscheiden:

  1. Mobiliteit van personeel van hogeronderwijsinstellingen dat in een onderneming scholing volgt, en van personeel van ondernemingen dat scholing volgt bij een hogeronderwijsinstelling.

    Doel is de begunstigden in staat te stellen door de overdracht van kennis en knowhow hun deskundigheid te vergroten en praktische vaardigheden te verwerven. Er zijn in dit verband tal van scholingsactiviteiten denkbaar, zoals seminars, workshops, cursussen, conferenties, praktijktrainingen, kortlopende detacheringen, enzovoort.
  2. Mobiliteit van administratief en ander niet-onderwijzend personeel van hogeronderwijsinstellingen dat scholing volgt in een andere hogeronderwijsinstelling.

    Doel van deze vorm van mobiliteit is de begunstigden kennis te laten nemen van de ervaringen en goede praktijken van een partnerinstelling en hen aldus in staat te stellen de vaardigheden die zij voor hun werk nodig hebben op een hoger peil te brengen. Belangrijkste activiteit is een kort verblijf bij de partnerinstelling, waarvoor verschillende benamingen gehanteerd worden, zoals “kortlopende detachering”, “job shadowing”, “studiebezoek”, enzovoort.
  3. Mobiliteit van onderwijzend personeel van hogeronderwijsinstellingen dat scholing volgt bij een partnerinstelling.

De thuisinstelling (hoger onderwijs + EUC) bepaalt wie voor deelname in aanmerking komt. Medewerkers van ondernemingen die scholing in een instelling voor hoger onderwijs wensen te volgen, moeten daarvoor uitgenodigd worden door die instelling. Het beheer van de subsidies is altijd in handen van de hogeronderwijsinstelling.

Voorwaarde voor toekenning van subsidie is dat beide partners (de instelling of onderneming in het thuisland en de gastinstelling of -onderneming) een werkplan overeenkomen en indienen waarin in ieder geval vermeld staan: het algemene doel en de specifieke doelstellingen van het verblijf; de verwachte resultaten van de scholing of training; en het programma voor de scholingsperiode.
 

Mobiliteit Docenten– Onderwijsopdrachten voor onderwijzend personeel van instellingen voor hoger onderwijs

De doelstellingen van de onderwijsopdrachten in het kader van Erasmus zijn:

  • studenten die niet in staat zijn deel te nemen aan een mobiliteitsprogramma laten profiteren van de kennis en expertise van het onderwijzend personeel van universiteiten en hogescholen in andere Europese landen
  • de uitwisseling van deskundigheid en ervaring met betrekking tot pedagogische methoden bevorderen
  • universiteiten stimuleren het studieaanbod te verbreden en de opleidingen inhoudelijk te verrijken

Basisvoorwaarden

De onderwijsbijdrage van onderwijsgevenden met een onderwijsopdracht moet deel uitmaken van het reguliere studieprogramma van de desbetreffende vakgroep of faculteit van de gastinstelling. Dit betekent dat:

  • de uit te voeren mobiliteitsopdracht op een overeenkomst tussen de betrokken instellingen gebaseerd dient te zijn
  • de betrokken instellingen vooraf overeenstemming dienen te bereiken over het lesprogramma (colleges) dat de gastdocent zal verzorgen

De selectie van kandidaten voor onderwijsopdrachten in het buitenland is in handen van de hogeronderwijsinstelling in het thuisland. Gast-en thuisinstelling moeten een EUC hebben.

Mobiliteit – Intensieve taalcursussen (EILC)

De intensieve taalcursussen in het kader van Erasmus zijn speciale taalcursussen gericht op de minder verbreide talen van deelnemende landen.

In het kader van deze actie kunnen Erasmus-studenten in het gastland waar zij een studieperiode wensen door te brengen een cursus van ongeveer één maand volgen waarin ze de taal van dat land leren, ter voorbereiding op de latere mobiliteitsperiode.

Aanvullende mobiliteitsbeurzen voor Erasmus-studenten die aan een EILC-cursus wensen deel te nemen worden toegekend en verstrekt door de eigen hogeronderwijsinstelling.

Mobiliteit – Organisatie van mobiliteit

De organisatie van mobiliteit (OM) voor studenten en personeel van hogeronderwijsinstellingen (+ EUC) behelst de invoering van de nodige maatregelen en voorzieningen die tot doel hebben optimale voorwaarden te creëren om studenten en hogeronderwijspersoneel in staat te stellen gedurende een bepaalde periode bij een instelling voor hoger onderwijs of een relevante organisatie in een ander deelnemend land scholing te volgen of onderwijs te verzorgen.

Bij de organisatie van mobiliteit kan het onder meer om de volgende activiteiten gaan (onderstaande lijst is niet uitputtend):

  • treffen van voorzieningen voor het selecteren van studenten en personeelsleden die in aanmerking komen voor mobiliteitsactiviteiten
  • verzorgen van voorbereidende taalcursussen voor studenten en personeelsleden die naar het buitenland gaan
  • verstrekken van informatie en bieden van ondersteuning aan studenten en personeelsleden (kennismaking met gastinstelling/-organisatie, studieadviezen voor studenten, hulp bij praktische zaken als huisvesting, sociale zekerheid, verblijfsvergunningen en reis- en vervoerskwesties, begeleiding van gaststudenten door tutor/mentor, enz.)
  • vastleggen van afspraken op inhoudelijk en organisatorisch vlak met partnerinstellingen (bijvoorbeeld, voor studenten: erkenning van in het buitenland doorgebrachte studieperiodes; voor onderwijsgevenden: opneming van cursussen in het reguliere studieprogramma van de gastinstelling; regelingen voor beoordeling van studenten en cursussen, enz.; hiervoor kunnen bezoeken aan partnerinstellingen nodig zijn)
  • steun bieden aan de ontwikkeling en het gebruik van het Europees puntenoverdrachtsysteem (ECTS) en het Diplomasupplement (DS).
  • opstellen van overeenkomsten waarin met studenten afspraken worden vastgelegd over het werkprogramma en over de vereisten voor een positieve beoordeling (leerovereenkomsten) 
  • treffen van regelingen voor het volgen van de eigen studenten tijdens de studieperiode in het buitenland, onder meer via bezoeken aan partnerinstellingen of -organisaties
  • verzamelen van feedback van teruggekeerde studenten en personeelsleden en deze feedback ter beschikking stellen van gegadigden voor een verblijf in het buitenland (daartoe zou onder meer hulp geboden kunnen worden aan plaatselijke studentenverenigingen of capabele studenten van verschillende vakgroepen bij activiteiten op het gebied van voorlichting of begeleiding en advies ten behoeve van vertrekkende of gaststudenten) treffen van specifieke regelingen om optimale kwaliteit van bedrijfsstages voor studenten te waarborgen

Mobiliteit - intensieve programma's (IP)

Een Intensief Programma (IP) is een kort studieprogramma waarbij studenten en medewerkers van hogeronderwijsinstellingen in verschillende deelnemende landen betrokken zijn en dat tot doel heeft:

  • efficiënt, multinationaal onderwijs te stimuleren met betrekking tot specifieke thema’s die anders niet aan bod zouden komen of die slechts bij een klein aantal universiteiten of hogescholen in het lesprogramma zijn opgenomen
  • studenten en onderwijsgevenden in staat te stellen in multinationale groepen samen te werken en aldus leer- c.q. leservaringen op te doen in een stimulerende omgeving die een enkele instelling niet kan bieden, zodat hun blik ten aanzien van het studieonderwerp verruimd wordt
  • onderwijzend personeel de mogelijkheid te bieden met buitenlandse collega’s van gedachten te wisselen over vakinhoudelijke kwesties en leerplanontwikkeling en nieuwe lesmethoden in een internationale onderwijsomgeving te testen

Een Intensief Programma kan eenmalig zijn maar ook gedurende meerdere jaren herhaald worden. Voorwaarde voor de uitvoering van deze programma’s is dat er sprake is van transnationale coördinatie tussen instellingen van ten minste drie deelnemende landen. Voorstellen voor IP’s hoeven alleen door de coördinerende instelling van een samenwerkingsverband ingediend te worden.

Onderzoeksactiviteiten of conferenties kunnen geen onderdeel zijn van een IP.

Aanbevolen wordt bij de uitwerking van voorstellen met het volgende rekening te houden:

  • De verhouding tussen personeel en studenten moet zodanig zijn dat actieve deelname in de les gewaarborgd is en dat elementen van leerplanontwikkeling aantoonbaar onderdeel zijn van de uitvoering van het IP
  • Het IP dient in het studieprogramma van de deelnemende studenten opgenomen te worden; de voorkeur gaat uit naar IP’s waarvoor de studenten volledige academische erkenning krijgen
  • Met het oog op maximalisering van de Europese impact van IP’s kan voorrang gegeven worden aan programma’s waarbij hogeronderwijsinstellingen van meer dan drie deelnemende landen betrokken zijn
  • Met name IP’s betreffende studierichtingen waarbij langere studieperiodes in het buitenland minder voor de hand liggen zullen in aanmerking genomen worden

Bijzondere aandacht zal ook uitgaan naar IP’s die bijdragen tot de verspreiding van kennis op nieuwe en zich snel ontwikkelende vakgebieden

Erasmus University Charter

Het Erasmus University Charter (EUC) biedt het algemene kader voor alle samenwerkingsactiviteiten op Europees niveau die een instelling voor hoger onderwijs binnen het Erasmus-programma kan ontplooien.

In het Charter, dat door de Europese Commissie wordt toegekend, staan de basisbeginselen vermeld die ten grondslag liggen aan alle activiteiten in het kader van Erasmus. Ook bevat het de minimumvereisten waaraan instellingen voor hoger onderwijs die aan het programma wensen deel te nemen dienen te voldoen.

Bij de aanvraag voor een EUC dienen instellingen voor hoger onderwijs een Erasmus Policy Statement (EPS) te voegen, een beleidsverklaring die openbaar gemaakt en nadrukkelijk onder de aandacht van het publiek gebracht dient te worden. In de EPS moet het totale plan voor de samenwerking in het kader van Erasmus beschreven worden, en daarbij moet de instelling duidelijk maken dat deze samenwerking past binnen het instellingsbeleid zoals zij dat in haar mission statement omschreven heeft. De EPS dient de maatregelen en acties te vermelden die de instelling voornemens is uit te voeren om te voldoen aan de beginselen en criteria van het Charter. Het gaat hierbij met name om specifieke Erasmus-activiteiten, zoals de organisatie van mobiliteit van studenten en onderwijzend personeel, leerplanontwikkeling, samenwerkingsprojecten en netwerkactiviteiten.

Ontwikkeling van studieprogramma’s (Curriculum Development)

In het kader van Erasmus wordt ondersteuning geboden aan twee hoofdcategorieën van activiteiten op het gebied van de gezamenlijke ontwikkeling en implementatie/verspreiding van leerplannen door hogeronderwijsinstellingen uit verschillende deelnemende landen:

  • projecten voor gezamenlijke ontwikkeling van studieprogramma’s op primair, secundair of tertiair niveau (bachelor-, master- en doctoraatniveau)
  • projecten voor gezamenlijke ontwikkeling van Europese modules, met inbegrip van speciale taalmodules

Doel van de verstrekte subsidies is de kwaliteit en de Europese dimensie van het hoger onderwijs te versterken door de expertise en meest actuele knowhow van hogeronderwijsinstellingen uit verschillende landen samen te voegen. Daarbij gaat de aandacht vooral uit naar samenwerking met het beroepsveld en het bedrijfsleven.

Na een ontwikkelingsfase van één of twee jaar moeten deze programma’s of modules door de partnerinstellingen zoveel mogelijk op geïntegreerde wijze uitgevoerd worden. Dat betekent dat de instellingen samen moeten werken op het punt van studenten- en medewerkersmobiliteit, delen van het programma gezamenlijk moeten verzorgen (intensieve programma’s) en afspraken dienen te maken over toelatingscriteria, studieresultaten, beoordelingen, kwaliteitsborging en erkenning (gebruik van het Europees puntenoverdrachtsysteem (ECTS) en het Diplomasupplement (DS)). Studenten moeten gezamenlijke of meervoudige titels (of certificaten voor modules) kunnen behalen die door de deelnemende instellingen en landen volledig erkend worden. De studieprogramma’s of modules die gezamenlijk ontwikkeld worden kunnen zowel voor het bachelor- en masterniveau als voor de opleidingen voor promovendi bestemd zijn.

De actie bestrijkt een periode van maximaal drie jaar als het gaat om de ontwikkeling van een volledig studieprogramma, en van maximaal twee jaar voor de ontwikkeling van een Europese module. Het laatste subsidiejaar dient het eerste jaar van implementatie te zijn.

Activiteiten op het gebied van implementatie en verspreiding zijn onder meer:

  • begeleiding en advies
  • toepassing van mechanismen voor kwaliteitsborging
  • accreditatie
  • uitbreiding van het netwerk van partners
  • uitbreiding van het project naar andere onderwijssectoren, zoals bij- en nascholing en volwasseneneducatie
  • verstrekking van titels/diploma’s
  • voorlichtings- en promotieactiviteiten om het project onder de aandacht te brengen van potentiële werkgevers van afgestudeerden
  • organisatie van en deelname aan conferenties of workshops waar de ontwikkelde producten gepresenteerd kunnen worden

Voor verdere informatie: zie DG EAC en het uitvoerend agentschap EACEA

Modernisering van het hoger onderwijs

Het hoger onderwijs in Europa moet hervormd worden om ervoor te zorgen dat deze sector een volwaardige rol vervult bij de totstandbrenging van het Europa van de kennis en maximaal bijdraagt tot de Lissabon-strategie voor groei en werkgelegenheid. Modernisering van het hoger onderwijs is nodig op het gebied van leerplannen (proces van Bologna), financiering en bestuur en heeft tot doel instellingen voor hoger onderwijs in staat te stellen de uitdagingen van de globalisering het hoofd te bieden en op doeltreffender wijze bij te dragen tot opleiding, scholing en bijscholing van de beroepsbevolking in Europa.

Binnen het kader van de prioriteiten zoals die in de algemene oproep tot het indienen van voorstellen beschreven staan kan uit hoofde van deze actie onder meer voor de volgende activiteiten subsidie verstrekt worden:

  • projecten die erop gericht zijn instellingen te helpen strategieën te ontwikkelen voor aanpassing van hun leerplannen aan de behoeften van de arbeidsmarkt, de burgers en de samenleving in ruimere zin
  • projecten die tot doel hebben instellingen ondersteuning te bieden bij het uitwerken van strategieën voor een leven lang leren en bij hun ontwikkeling tot open leercentra voor de regio 
  • projecten voor het bieden van ondersteuning aan instellingen bij de ontwikkeling van proactieve financieringsstrategieën, waarbij de diversiteit van het institutioneel profiel ingezet wordt als middel om financieringsbronnen van uiteenlopende aard aan te boren 
  • projecten die tot doel hebben instellingen te helpen hun interne bestuursprocessen af te stemmen op hun strategische prioriteiten

projecten waarmee beoogd wordt instellingen te helpen hun prestaties te verbeteren, te komen tot een betere accountability en te zorgen voor een aantrekkelijker imago

Voor verdere informatie: zie DG EAC en het uitvoerend agentschap EACEA

Samenwerking tussen instellingen voor hoger onderwijs en ondernemingen

Gestructureerde partnerschappen met het bedrijfsleven (inclusief KMO's) kunnen het belang, de kwaliteit en de aantrekkelijkheid van onderwijs- en opleidingsprogramma’s vergroten: bij versnelde kennisoverdracht - in beide richtingen - tussen hogeronderwijsinstellingen en ondernemingen, stages van studenten, onderwijsmedewerkers en onderzoekers in ondernemingen en deelname van personeel van ondernemingen in de organisatie van hogeronderwijsinstellingen hebben alle betrokken partijen voordeel, en deze vorm van samenwerking, waarbij de wetenschappelijke expertise van afgestudeerden en onderzoekers aangevuld wordt met ondernemersvaardigheden, vergroot ook hun arbeidsmarkt- en carrièreperspectieven. Samenwerking met het bedrijfsleven kan ook tot verruiming van de middelen leiden, bijvoorbeeld voor de uitbreiding van onderzoekscapaciteit of de ontwikkeling en organisatie van nieuwe (om)scholingscursussen, en versterkt anderzijds de bijdrage die wetenschappelijk onderzoek kan leveren aan de ontwikkeling van KMO’s en innovatie op regionaal niveau. Dit betekent wel dat de ontwikkeling van ondernemersvaardigheden, management skills en innovatief vermogen een wezenlijk onderdeel moet vormen van masterprogramma’s, onderzoeksopleidingen en strategieën op het gebied van een leven lang leren voor medewerkers van hogeronderwijsinstellingen.

Binnen het kader van de prioriteiten zoals die in de algemene oproep tot het indienen van voorstellen beschreven staan kan uit hoofde van deze actie onder meer voor de volgende activiteiten subsidie verleend worden:
  • opzetten van strategieën ter verruiming van de arbeidsmarktmogelijkheden voor afgestudeerden (via leerplanvernieuwingen, de ontwikkeling van vaardigheden en competenties in samenhang met het Europees kwalificatiekader (EKK), enz.)
  • bevorderen van stages van studenten en medewerkers van hogeronderwijsinstellingen bij ondernemingen, en van personeel van ondernemingen bij hogeronderwijsinstellingen, alsook het uitwerken van analyses betreffende de voordelen van Experiental Learning
  • ontwikkelen van modellen voor overeenkomsten tussen hogeronderwijsinstellingen en bedrijfsleven betreffende erkenning en kwaliteitsborging in het kader van strategieën voor een leven lang leren Voor verdere informatie: zie DG EAC en het uitvoerend agentschap EACEA

Voor verdere informatie: zie DG EAC en het uitvoerend agentschap EACEA

Virtuele campussen

De doelstellingen van de actie ‘Virtuele campussen’ in het kader van de multilaterale projecten zijn:

  • virtuele mobiliteit als aanvulling op of vervanging van fysieke mobiliteit versterken naast andere vormen van onafhankelijke mobiliteit
  • de dimensie van virtuele mobiliteit integreren in multilaterale Erasmus-projecten voor leerplanontwikkeling
  • de beschikbaarheid van hoogwaardige Europese Open Educational Resources in een context van een leven lang leren vergroten
  • bijdragen tot de moderniseringagenda voor hogeronderwijsinstellingen en het hoger onderwijs in Europa

De Europese instellingen voor hoger onderwijs verschillen sterk van elkaar als het gaat om de mate waarin zij ICT in hun onderwijs-, opleidings- en onderzoeksstelsels hebben geïntegreerd. De actie ‘Virtuele campussen’ is gericht op ondersteuning van de ontwikkeling/integratie van vernieuwende, op ICT gebaseerde content, diensten, pedagogische benaderingen en praktijken voor een leven lang leren via duurzame modellen voor organisatie, onderwijs en financieel beheer. Voorwaarde daarvoor is een goede technische infrastructuur. De ondersteuning wordt geboden voor de verspreiding en uitrol van infrastructuur op basis van bestaande voorzieningen. Instellingen die aan deze actie willen deelnemen dienen op organisatorisch vlak in staat en bereid te zijn de nodige veranderingen - op alle niveaus - door te voeren. De context waarin Europese instellingen voor hoger onderwijs opereren verschilt van land tot land; een pasklaar model voor de ontwikkeling van virtuele campussen is dan ook niet voorhanden .

Bij de uitwerking van voorstellen overeenkomstig de vastgestelde prioriteiten dient met het volgende rekening te worden gehouden: 

  • maatgevend is de definitie van virtuele campus, virtuele mobiliteit en Open Educational Resources (OER’s) zoals die in de verklarende woordenlijst is opgenomen 
  • studies en cursussen dienen volledig erkend te worden door de betrokken instellingen, op basis van overeenkomsten met betrekking tot de evaluatie, validatie en erkenning van via virtuele mobiliteit verworven competenties
  • alle relevante aspecten (op organisatorisch, pedagogisch, financieel en wetenschappelijk vlak) moeten in aanmerking worden genomen

waar mogelijk dient voortgebouwd te worden op bestaande technische infrastructuur; de aanwezigheid van dergelijke infrastructuur is een vereiste

Voor verdere informatie: zie DG EAC en het uitvoerend agentschap EACEA

Netwerken

Hoofddoel van de netwerkprojecten is de kwaliteit van het hoger onderwijs te verbeteren en een Europese dimensie te definiëren en te ontwikkelen voor bepaalde studierichtingen of vakgebieden, hetzij met betrekking tot een onderwerp van inter- of multidisciplinaire aard, hetzij ten aanzien van andersoortige kwesties van gemeenschappelijk belang (management van hogeronderwijsinstellingen, kwaliteitsborging, enz.). Het instrument hiervoor is samenwerking tussen hogeronderwijsinstellingen, faculteiten of vakgroepen, waarbij ook academische organisaties, wetenschappelijke genootschappen, beroepsorganisaties, andere private of publieke partners op sociaal-economisch vlak en, in voorkomend geval, studentenorganisaties betrokken dienen te worden. De samenwerking binnen netwerken wordt geacht resultaten op te leveren die op het desbetreffende vakgebied een duurzame en brede impact hebben op hogeronderwijsinstellingen in heel Europa.

Hieronder volgt ter informatie een lijst van activiteiten waarop projecten gericht kunnen zijn, overeenkomstig de in de oproep tot het indienen van voorstellen vastgestelde prioriteiten:

  1. In kaart brengen en verbeteren van onderwijspraktijken. Beschrijven, analyseren en vergelijken van bestaande lesmethoden, en uitwerken van en experimenten met nieuwe lesmethoden. In kaart brengen van bestaand lesmateriaal en dit via databases ter beschikking stellen van netwerkpartners. Vervaardigen of actualiseren en verspreiden van nieuw lesmateriaal
  2. Activiteiten op het gebied van kwaliteitsborging
  3. Bevorderen van samenwerking op Europees niveau Onderzoek m.b.t. de vraag hoe de Europese samenwerking ervoor staat, wat er nodig is op dit vlak, welke belemmeringen er nog zijn en hoe deze weggenomen kunnen worden. Ontwikkelen van tools (gebruik ECTS, nieuwe modellen voor coördinatie, strategieën op Europees niveau). Bevorderen van de ontwikkeling van Europese modules.
  4. Definiëren en actualiseren van algemene en sectorale competenties aan de hand van de methode zoals die ontwikkeld is voor het pilotproject “Tuning Educational Structures in Europe” (Tuning – Onderlinge afstemming van onderwijsstructuren in Europa). Het is van belang dat de resultaten van het Tuning-project via netwerkprojecten uitgewerkt worden: netwerken worden geacht de methode en resultaten van het pilotproject op hun eigen vakgebied toe te passen.
  5. Bevorderen van synergie tussen onderwijs en onderzoek door hogeronderwijsinstellingen aan te moedigen de resultaten van onderzoek in de lespraktijk te verwerken en door Erasmus-netwerken te koppelen aan de door het DG Onderzoek gefinancierde thematische netwerken 
  6. Versterken van de relatie tussen onderwijs en samenleving. Stimuleren van samenwerking tussen de publieke sector, de wetenschappelijke wereld en het beroepsveld, en bijdragen tot vergroting van het innovatievermogen in Europa.

De bedoeling is dat een van de deelnemende hogeronderwijsinstellingen optreedt als coördinator van het netwerk. De taken van de coördinerende instelling zijn: initiëren en begeleiden van het proces voor de opstelling van het voorstel; indienen van de aanvraag voor communautaire subsidie; zorgen voor een adequaat beheer van het project; verantwoording afleggen voor gedane uitgaven; en verslag uitbrengen over de behaalde resultaten. Het is echter ook mogelijk het beheer van verschillende fasen van het netwerkprogramma in handen te geven van meerdere instellingen of organisaties.

Op administratief vlak kunnen de nodige verschillen optreden, afhankelijk van de aard van de projecten, maar het is wel van belang dat het gehele netwerk waar mogelijk bij het beheer van het project betrokken wordt. Uit het werkprogramma moet duidelijk naar voren komen hoe de projectpartners denken dit te realiseren, zoals ook aangegeven dient te worden op welke manier ervoor gezorgd zal worden dat de partners de uitkomsten van het project in aanmerking nemen binnen hun instellingen, de resultaten waar mogelijk benutten en deze ook onder vooraf vastgestelde doelgroepen verspreiden. De netwerken worden geacht passende mechanismen in te voeren voor interne monitoring en evaluatie van de geboekte vooruitgang, kwaliteitsborging en verspreiding van resultaten.

Voor verdere informatie: zie DG EAC en het uitvoerend agentschap EACEA

Begeleidende maatregelen

In het kader van de actie ‘Begeleidende maatregelen’ kunnen projecten opgezet worden die bijdragen tot verwezenlijking van de doelstellingen en benutting van de resultaten van Erasmus-projecten.
Dergelijke projecten kunnen betrekking hebben op communicatie, thematische monitoring van projecten of verspreiding en benutting van projectresultaten. Hierbij valt te denken aan:

  • activiteiten op het gebied van voorlichting en communicatie ter bevordering en verbetering van de zichtbaarheid van activiteiten en resultaten van afzonderlijke programma’s
  • thematische monitoring van lopende projecten die op hetzelfde thema(gebied) gericht zijn, met onder meer de organisatie van bijeenkomsten voor het uitwisselen van ervaringen, de publicatie van bijgewerkte projectcompendia en een meer systematische evaluatie van projectresultaten met het oog op een doeltreffender verspreiding en benutting van de beste resultaten
  • verzamelen en ter beschikking stellen van informatie over projectresultaten, onder meer via de ontwikkeling van gemeenschappelijke databases

bieden van ondersteuning voor conferenties en acties op het gebied van verspreiding en benutting waar projectdeelnemers en potentiële gebruikers binnen de betreffende sector met elkaar in contact kunnen komen, met bijzondere aandacht voor het bevorderen van de overdracht en overname van projectresultaten door nieuwe gebruikers en het integreren van die resultaten in onderwijs- en opleidingsstelsels en -praktijken

Voor verdere informatie: zie DG EAC en het uitvoerend agentschap EACEA

logo LLP logo Vlaanderen